_

Kruisbestuiving

(L.J. Veen 2004, 2005)

Fragment 1

‘Had ik u zojuist aan de lijn?’, vraag ik.

Het blijft stil.

‘Het ging over een laboratoriumuitslag.’

De stilte verandert. ‘Dat moet mijn collega zijn geweest. Wacht, ik verbind u door.’

Korte piepjes, telkens twee achter elkaar. Vijfmaal. Zesmaal. Dan komt de jonge vrouwenstem die ik eerder heb gehoord. Dezelfde afhoudende toon.

‘Met Cas Peters’, zeg ik weer. ‘U heeft me zojuist een afspraak voor morgen gegeven om over de uitslag van mijn tropenkeuring te komen praten. Er was iets met het lab, zei u, een onduidelijkheid in een van de bloeduitslagen. Ik realiseer me nu pas dat er bij de keuring een Aids-test is gedaan. Heeft het daarmee te maken?’

De aarzeling die ik bij haar collega al merkte toen ik over een uitslag begon, wordt op slag voelbaar.

‘Daar mogen wij niets over zeggen. Onderzoeksresultaten mogen alleen met de arts worden besproken.’

‘Tenzij ze goed zijn’, merk ik op. ‘Want dan mag u ze wel doorgeven. Tenminste, zo ging het alle vorige keren. Waar het me om gaat is dat ik niet tot morgenochtend half elf wil lopen tobben over die Aids-test.’

Weer stil. Ik wacht.

‘Dat begrijp ik.’ De stem heeft iets van haar reserve verloren. ‘Maar ik kan u helaas niet helpen. De arts die uw uitslagen heeft gezien is al naar huis.’

‘Om vier uur ’s middags?’ Ik denk aan de afgelopen maanden in Rubya.

‘De laatste afspraak wordt om half vier gemaakt.’

Ik zeg niets terug. Ik wil niet horen wanneer de laatste afspraak wordt gemaakt. Ik wil gewoon iemand spreken die me kan vertellen wat er mis is met mijn bloed.

 

 

Fragment 2

Ik trek mijn handschoenen uit. De middelvinger van mijn linkerhand is nat. Wanneer ik het rubber oprek, ontdek ik een klein gaatje. Ik laat het Gijs zien.

‘Gek, hè?’ zeg ik. ‘Dit waren nieuwe handschoenen. Ik heb dat  tegenwoordig bijna elke dag.’

‘En je hebt je niet geprikt?’

‘Heel zeker.’

Hij schudt nadenkend zijn hoofd. ‘Het overkomt mij ook wel eens, maar zeker niet elke dag.’

Ik gooi de kapotte handschoen in de afvalemmer en leg de nog goede op de rand van de wastafel. Die wordt straks met de andere uitgewassen, nagekeken, opnieuw gepoederd en, in de papieren verpakking, gesteriliseerd.

‘Je kent die percentages toch, hè’, zegt Gijs.

‘Wat? Overdrachtskans bij prikverwonding 0,4 procent. Besmet bloed op beschadigde huid een kans van tussen de nul en de 0,3 procent? Ja, die percentages ken ik.’

‘Op onze tropencursus kwam een van de docenten met nog een ander getal. Hij liet een berekening zien waarbij hij uitging van twintig procent seroprevalentie onder de Afrikaanse bevolking en een gemiddelde van tweehonderd operaties per arts per jaar. Alles bij elkaar kwam hij tot een besmettingsrisico van zo’n twee procent per jaar.’

Twee procent!’ zeg ik. ‘Dat loopt lekker op bij een contract van vier jaar.’

‘Ja. Ik werd niet vrolijk van dat sommetje.’

 

 

Fragment 3

‘Laten we maar weer eens kijken’, zegt de KNO-arts met een gebaar naar de onderzoeksstoel.

Kijken bij de KNO-arts gaat in mijn geval meestal gepaard met een geluid alsof er in mijn hoofd een paar tussenwandjes worden gesloopt.

‘Eh…’, begin ik, ‘misschien is het goed te weten dat er onzekerheid bestaat over mijn HIV-status. Dat je een paar handschoenen aan doet of zo.’

Het is net of alles in de kamer rechtop gaat zitten. Beduusd kijk ik hem aan.

‘Hoe lang is dat al?’

‘Sinds mijn laatste contract in Tanzania.’

Ik leg het onhandig uit. Terwijl ik daarmee bezig ben bekruipt het gevoel me dat hij met zijn vraag misschien terug wil naar de keer dat hij me had geopereerd.

‘De ELISA van de keuring voordat ik vertrok was negatief’ zeg ik. ‘En het is allemaal nog niet zeker. Morgen krijg ik de uitslag van de bevestigingstest.’

De geruststelling in mijn woorden klinkt niet erg overtuigend. Ik hoor het zelf

‘Wel goed dat je het zegt,’ antwoordt hij voorzichtig. ‘Dat zal niet gemakkelijk voor je zijn.’

Nee.

‘Nee’, zeg ik.

Aarzelend blijft hij zitten. Ik ook.

‘Zal ik dan maar?’ zeg ik met een knikje in de richting van stoel.

‘Ja, eh…’ Het is duidelijk dat hij ergens moeite mee heeft. ‘Ja.’

Hij staat op en loopt naar de deur. ‘Goed. We nemen de standaard voorzorg. Sorry.’

Het sorry begrijp ik pas als hij met zijn assistente de kamer weer inkomt. En dan weet ik meteen waar zijn aarzeling vandaan kwam. Hij wilde me dit niet aandoen.

 

Ze zien eruit alsof ze uit een ruimteveer komen gestapt.

Ik zeg niets. Hij heeft me altijd goed behandeld. En hij heeft een vrouw en vier kinderen. De assistente is vast ook getrouwd…

 

Fragment 4

‘Tausi,’ zeg ik vermoeid, ‘ik ga daar echt niet meer aan beginnen. Als ik alle geld dat ik de afgelopen vijftien jaar aan Tanzanianen had uitgeleend nu terug zou krijgen, kon ik meteen stoppen met werken. Het is net of voor terugbetalen geen woord bestaat in het Swahili.’

‘Met mij is dat anders.’

‘Dat zeggen ze óók allemaal. Hoe moet je nou in de paar maanden die ik hier nog zit een schuld van vijftigduizend shilling aflossen?’

Ze kijkt me een ogenblik aan. ‘Misschien weet ik wat.’

Haar hand gaat naar de papaya die ze me zojuist heeft aangereikt. Even denk ik dat ze hem wil terugnemen, maar dan doet ze een stapje naar voren en komt onnodig dichtbij staan. Boven de geur van de papaya uit ruik ik vers zweet en zeep. In mijn lendenen begint zich iets te roeren.

‘Ik zou je kunnen helpen’, murmelt ze. Een vinger tikt tegen de voorkant van mijn omslagdoek, op de plaats waar bij een broek de rits zit. ‘Hiermee.’

O.

Plekken die ik al had afgedroogd beginnen te prikken. En Hiermee mengt zich nu ook in het gesprek…