Trommelhart
Mouria, 2007
Vooraf:
In het begin van de jaren negentig ontstond in een kerkelijk ziekenhuis op het centrale plateau van Tanzania, de streek ten zuiden van Tabora, hevige ruzie tussen twee Nederlandse artsen aan een kant en hun werkgever, een Afrikaanse protestante bisschop, aan de andere. Zoals in veel Afrikaanse landen heeft de leider van een bisdom zeggenschap over alle gezondheidszorginstellingen van zijn kerk in dat gebied. Het conflict tussen beide partijen ging over de ziekenhuisauto en andere goederen die door donoren waren geschonken aan het ziekenhuis, maar die door de bisschop en priesters van het bisdom vrijelijk werden aangewend voor eigen gebruik. Een van de artsen was jong en ondiplomatiek en er vielen harde woorden, die leidden tot beider ontslag. Het gerucht gaat dat de bisschop na hun vertrek nog zo boos was, dat hij een vloek over hen uitsprak.
Kort daarop verongelukte de oudste van de twee artsen met een vliegtuigje, op een schiereiland aan de zuidkant van het Victoriameer. De jongere leeft nog, maar heeft binnen een half jaar zijn werk moeten neerleggen wegens een ernstige aandoening van de hartspier.
In dezelfde periode mengde een nog jonge, blanke priester van een parochie in het Ungurugebergte, zich in een twist tussen twee dorpelingen. Een ervan was een parochiaan die zijn akker niet wilde verkopen aan de ander. Angst dreef hem echter zijn grond toch af te staan, want hij had te maken met een mchawi, een bespeler van duistere machten, bereider van het Kwaad.
De openlijke steun van de pater gaf de parochiaan de moed in zijn weigering te volharden. De mchawi zwoer hierop dat de pater zijn geboorteland, Nederland, nooit meer te zien zou krijgen.
Enkele weken later meldde de pater zich met vermoeidheidsklachten in het naburige missieziekenhuis. De uitslagen van het laboratorium duidden op een chronische infectie of een ziekte van het bloed. Omdat er in de daarop volgende dagen geen verbetering intrad, zag de behandelend arts geen andere mogelijkheid dan de pater naar Nederland te evacueren voor verder onderzoek en behandeling. Zijzelf nam de leiding van de repatriëring op zich.
In het vliegtuig naar Amsterdam werd de pater plotseling onwel en zakte in elkaar. Pogingen van de arts de man te reanimeren hadden geen resultaat. Hij overleed in het gangpad.
Bewoners van de streek beweren dat ze de priester nog wel eens zien, ’s nachts aan het werk op het stuk land dat dezelfde maand nog door de familieleden van de inmiddels ook overleden parochiaan aan de mchawi werd verkocht. Zwijgend, zonder zelfs maar een klacht, heft de pater de boerenhak boven zijn gekromde rug en omwoelt de grond.
Zo zijn er meer verhalen…
Fragment 2
‘Je hebt vreemde patiënten de laatste tijd,’ fluisterde Faustina. Ze lag met de armen tegen haar borst gevouwen naast hem op het bed in de gastenkamer.
‘Hoezo?’
‘Eerst die oude vrouw waar twee volle emmers gundi uitkwamen en gisterennacht dat kind met twee hoofden.’
Axel glimlachte. Ze had voor de slijmerige drab het Swahiliwoord voor lijm gebruikt.
‘Hoe weet je dat allemaal?’
Het was een overbodige vraag. Iedereen wist het. Nadat Axel was bekomen van de schrik had hij een hand hoog in de baarmoeder ingebracht en er tot ontsteltenis van alle aanwezigen een hoofdje uitgehaald. Gedurende de veertig minuten die hij nodig had om de ingescheurde bekkenbodem te hechten was alle personeel dat die nacht dienst had, komen kijken. Ook, als laatsten, de nachtwakers, maar dat was pas nadat Erik met een verontwaardigd protest de verloskamer was uitgebeend.
Axel had het laten gebeuren. De volgende dag zou de toeloop alleen nog maar groter zijn. En niet eens van alleen ziekenhuispersoneel.
Hij draaide zich naar Faustina toe en kuste haar schouder.
‘Die gevallen zijn niet echt vreemd, Fausti. Je ziet ze niet vaak, maar het zijn bekende aandoeningen. Ik kan je zo de plaatjes in de boeken laten zien.’
‘Hier zijn ze nooit eerder voorgekomen.’ Het klonk dof. ‘En dan nog wel vlak na elkaar. De mensen praten erover.’
‘Wat zeggen ze dan?’
‘Dat er misschien iets gaande is.’
‘Waar? Hier, in het ziekenhuis?’
Faustina aarzelde. ‘Misschien.’
‘Of met mij?’
Als om hem verder vragen te beletten draaide Faustina zich op haar zij en sloeg haar armen om hem heen, haar mond vlak bij zijn oor.
‘Het is niet goed als er van die eigenaardige dingen gebeuren, elke keer als jij in de buurt bent,’ zei ze zachtjes.
Fragment 3
Op de dag voor hun vertrek trof hij Lonnie laat in de middag op haar gewone plek in de schaduw. Ze zat iets te bekijken dat ze in haar handen om en om draaide. Toen ze hem hoorde aankomen hield ze het naar hem op. ‘Weet jij wat dit is?’
Hij pakte het aan.
‘Voorzichtig,’ zei ze, ‘het brokkelt.’
Het was een primitief soort popje, tussen vijftien en twintig centimeter lang. Het lijf werd gevormd door een halve maïskolf waaruit de korrels waren verwijderd. Om de stompe onderkant zat een strook witte katoen gewikkeld dat was vastgezet met sisaltouw, zodat het leek of de pop een rokje of een broek aanhad. Over het boveneind van de kolf was van klei een plat kopje geboetseerd. Gaten gaven de plaats van de ogen aan, eronder kwam een welving die de neus moest voorstellen. Ook hierin zaten twee gaatjes. Onder het hoofd, op de plaats waar de borst moest zitten, was tot halverwege de maïskolf rondom klei geplakt. Dit deel was zo verdroogd dat het scheurtjes vertoonde en er stukjes aan ontbraken. Het dunne laagje verkruimelde bijna onder zijn vingers.
Armen waren afwezig, maar tussen hoofd- en borstgedeelte bungelden zo’n tien korte snoertjes met grove kralen van harde stukjes stengel. Het ding was niet erg schoon. De lap zat onder het stof en borst en hoofd waren bedekt met een donkerkleurig, gebarsten korstje. Daarbij rook het vreemd. Axel hield het bij zijn neus. De geur maakte een vage herinnering in hem wakker, maar hij kon niet zo snel bedenken waar en wanneer hij die eerder had geroken.
‘Hoe kom je er aan?’ vroeg hij.
‘Het lag in je voorraadkamer.’
Fragment 4
Was hij op sommige dagen bang dat Lonnie zou zeggen dat ze elkaar maar een tijdje niet moesten zien, op andere dagen hoopte hij het. Dan werd de gedachte, dat ze getuige was geweest van hoe hij ooit was en wat er van hem was geworden, onverdraaglijk.
‘Vind je me nog wel de moeite waard?’ viste hij. ‘Zelf ben ik helemaal niet meer tevreden.’
‘Waarover?’
Axel aarzelde. ‘Over mij.’
Ze kuste hem en gaf een bestraffend tikje tegen zijn wang.
‘Niet van die zielige praat.’
In stilte verwenste hij zich, dat hij niet over zijn lippen had kunnen krijgen dat ze hem beter kon laten gaan.
Er kwam een donderdag waarop ze allebei niet hoefden te werken. Lonnie had een aankondiging gelezen van een openluchttentoonstelling van Afrikaanse beelden, ergens op de Veluwe, en hem erover opgebeld. Ze pikte hem op in Utrecht.
Tussen herfstbuien door drentelden ze langs spekstenen beeldhouwkunst uit Zimbabwe. De meeste werken waren gladgeschuurde, moderne objecten, veelal geïnspireerd op vogels en vrouwenfiguren. Bijna allemaal waren ze bevestigd op houten sokkels.
Eén beeld trok Axels speciale aandacht. Het stond zonder sokkel in het natte gras en was zo’n anderhalve meter hoog. Van een afstand leek het net een grote olifantstand waarvan de top was afgezaagd. Dichterbij gekomen zag Axel dat de vorm niet helemaal rond was. De achterkant was ruw gelaten, de gepolijste voorkant liep spitsvormig toe, zoals de boeg van een schip, en liet een gezicht met twee gelaatshelften zien. Alleen rechts was een oog gebeiteld. Het staarde Axel koud aan.
‘Axel!’ Lonnie kwam teruglopen. ‘Schiet op. Er komt weer een bui aan. Waarom sta je hier zo lang?’
Het oog liet hem niet gaan. ‘Lang?’
‘Al minstens tien minuten.’ Lonnie liep naar het paaltje waarop een plastic plaatje was bevestigd met de titel van het beeld, en de prijs.
‘Zonder titel,’ las ze hardop. ‘Vind je het mooi?
‘Nee.’ Hij haperde. ‘Ik weet het niet.’
‘Driehonderdenvijftig euro. Niet duur voor zo’n groot beeld. Wil je het hebben?’
‘Wat bedoel je?’ Nog steeds werd zijn blik vastgehouden. Het kwam hem voor dat het oog nu boosaardiger keek.
‘Zal ik het voor je kopen? Voor in je huis?’
Hij scheurde zich los. ‘Nee!’
Toen hij de uitdrukking op Lonnie’s gezicht zag, werd zijn stem milder. ‘Dank je wel, maar nee.’ Hij huiverde even, sloeg een arm om haar schouders. ‘Kom, we gaan.’