Vertrapt Gras
(L.J. Veen, 2002, 2004, 2005)
Fragment 1 :
Wij hebben maar één woord voor ze: medicijnmannen.Dat is een beetje onhandig, want afgezien van het feit dat het ook vrouwen kunnen zijn, weten we daarmee niet of ze nou goed of kwaad doen.Vroeger zaten wij daar niet zo erg mee. Voor het gemak vonden we gewoon dat ze allemaal kwaad deden. Van heidens gedoe kan natuurlijks nooit iets goeds komen.De Engelsen hadden zich wat meer in de materie verdiept, want die maakten al vroeg onderscheid tussen healers, genezers, en witchdoctors, tovenaars, bedrijvers van zwarte magie.In het Kiswahili is het verschil natuurlijk helemaal duidelijk, want Tanzanianen hebben er bijna dagelijks mee van doen. Je gaat naar de mganga, de traditionele genezer, als je ziek bent of als het ongeluk je blijft achtervolgen.Als je echter een vrouw of man verliefd op je wilt laten worden, of als je een pest aan iemand hebt en een bezwering wil laten uitspreken, dan breng je een bezoek aan de mchawi, de tovenaar. Tenminste, als je daar de moed toe kunt opbrengen, want met die jongens is het altijd een beetje oppassen geblazen.
Ik had nog nooit met wachawi te maken gehad.Tot op vandaag.Dat was toen de moeder van Bernardi met me kwam praten. Bernardi is een van de vele jongens die in kokospalmen klimmen om kokosnoten te stelen. Jammer genoeg behoort hij sinds een week of acht tot de weinigen die eruit gevallen zijn. Hij kon direct al niet meer opstaan en diezelfde dag werd hij naar ons ziekenhuis gebracht…
Fragment 2
‘En waar is die slang nou?’ vraag ik. ‘Heb je die niet meegenomen?’
De man kijkt me onthutst aan. Daar moet je weer een witte voor hebben, hoor, voor zo’n vraag.
Word je door een slang gebeten, terwijl je een stuk bos aan het schoonmaken bent om er een nieuw akkertje aan te leggen. Haast je je naar de dorpsgenezer, die dan natuurlijk net voor een dag naar de grote stad is. Je voelt je al akelig worden. Zweterig. Misselijk. Hup, gauw dan maar achterop de fiets van de buurman naar het ziekenhuis. En dan zit daar zo’n blanke die met een effen gezicht vraagt hoe lang het geleden is dat je bent gebeten en vervolgens bijna laconiek gaat doen, alsof er niets aan de hand is. En dan vraagt die gek ook nog of je de slang hebt meegenomen!
De man schudt sprakeloos nee.
‘Hoe zag hij eruit?’ vraag ik.
‘Wie?’ Hij heeft zijn stem terug.
‘Die slang’, zeg ik geduldig.
Hij haalt zijn schouders op. ‘Ik heb niet zo goed gekeken.’
Ik geef het maar op.
Zoals bij de meeste patiënten die met het verhaal van een slangenbeet komen, word ik ook nu niet veel wijzer. Overigens begrijp ik de verwarring van mijn patiënt best. Het is natuurlijk ook een idiote vraag of ze die slang hebben meegenomen, maar toch is er een reden voor.
In de eerste plaats willen we weten of er echt wel sprake is van een slangenbeet. De meeste mensen springen bij een prik in de voet verschrikt op en hollen hard weg met alleen maar het idee dat ze door een slang zijn gebeten. Het kan net zo goed een insekt geweest zijn, of een doorn, of een puntige tak.
Was het echt een slang, dan willen we graag weten wat voor soort slang het was. Meer dan negentig procent van de slangen in deze streek, is ongevaarlijk. Tanzanianen daarentegen vinden álle slangen gevaarlijk. Ze meppen dan ook op alles wat maar enigszins op een slang lijkt. Behalve kennelijk als ze erdoor worden gebeten.
De vraag naar het tijdstip van de beet is bepalend voor de behandeling. Het klinkt misschien een beetje cru, maar je kunt grofweg stellen dat als iemand na een slangenbeet levend het ziekenhuis bereikt, de slang niet gevaarlijk was…
Fragment 3
Vandaag kwam Simon met een onthutst gezicht naar me toe. Ze hadden hem onderweg voor mumiani uitgescholden.
Mumiani. Bloedzuiger!Nou kan ik me daar met Simon nog wel wat bij voorstellen, want hij werkt bij ons op het laboratorium. Met een rubber slangetje zuigt hij in een buisje een klein beetje bloed van de patiënt op, zodat we het kunnen onderzoeken. Wij zouden over zo’n opmerking onze schouders ophalen, maar Simon vond het maar niks.
En misschien heeft hij gelijk. Er is de laatste tijd veel te veel te doen geweest over bloedzuigerij. Bovendien was het voor het eerst dat een Tanzaniaan voor vampier werd uitgemaakt. Meestal krijgen blanken die naam toegemeten.
Zo zit er aan de andere kant van het bisdom, in de bergen bij Singiza, een Nederlandse pater die, al zolang hij daar woont, bekend staat als ‘de bloedzuiger’. Eens per week rijdt hij van Singiza naar Morogoro met een groot olievat in de bak van zijn Landrover. Daar laat hij in de stad diesel in gooien voor zijn auto en voor de generator van de missie.
‘Niks diesel’, zeggen de bewoners van de dorpen waar hij langs komt, ‘er zit mensenbloed in dat vat. Dat gaat hij verhandelen aan mensen die er medicijnen van maken. En hij zal zelf ook af en toe wel een slokje nemen.’
Die associatie tussen bloed en het maken van medicijnen is niet uit de lucht gegrepen. Veel traditionele genezers gebruiken naast kruiden, wortels en de bast van bepaalde bomen, dierenbloed voor de aanmaak van hun poeders en aftreksels. Omdat de westerse medicijnen zo goed werken, zijn veel Tanzanianen ervan overtuigd dat er bij het maken mensenbloed aan te pas komt, aangezien dat krachtiger is dan het bloed van een kip of een geit.
Van het ziekenhuis wordt ook gedacht dat het in de bloedhandel zit. ‘Want’, zo merkte een slimmerd eens op, ‘wat gebeurt er met ons bloed nadat jullie het onderzocht hebben?’
‘Dat gooien we gewoon weg,’ zeiden we.
‘Maar wel altijd in hetzelfde putje’, zei de man. Dat had hij goed gezien. Afgewerkt bloed en urine verdwijnen altijd in dezelfde spoelbak.
‘Onder die bak zit vast een reservoir, waarin jullie al dat bloed opvangen’, ging de man door. ‘En dan kunnen jullie er alsnog mee doen wat jullie willen.’
Ja, we konden moeilijk de vloer gaan openbreken om aan te tonen dat het pure onzin was wat hij beweerde. Dus stonden we met een mond vol tanden maar een beetje te lachen.
Maar dat hielp natuurlijk niet. Het maakte de zaak alleen nog meer verdacht.
Twee maanden geleden waren de gemoederen rond de handel in bloed pas goed in opschudding geraakt…