_

Vijftig Maanden Zwaar

Memisa 1997, 1998

 

‘Kijk’, zegt de man als ik het verband rond zijn hand heb losgewikkeld en we allebei ons hoofd over de wond buigen. ‘Kijk… Zie je ‘m?’

Ik zie ‘m.  Onder een van de wondranden vandaan komt een made gekropen.  Alsof-ie uit een badhokje stapt.  Bloot en wit dartelt hij naar een poeltje wondvocht iets verderop en verdwijnt erin met een plonsje. Met een beetje verbeelding had je kunnen zien dat hij z’n neus dichthield voordat hij in het water sprong.

Gezeten op de rand van het bed hebben de man en ik met aandacht het tafereeltje zitten gadeslaan. En hoe langer we naar de wond kijken hoe meer recreanten we zien. Het lijkt wel een zwembad op woensdagmiddag.

Het verhaal van de maden had ik al gehoord van de afdelings­verpleeg­kundige, dus erg verrast was ik niet meer. Maar dat de wond was ontstaan doordat de man een dag of tien geleden door zijn vrouw was gebeten, was nieuw voor me. Hij had haar willen slaan, omdat ze geen eten meer voor hem wilde klaarmaken toen-ie aangeschoten uit de kroeg kwam.

De wond ziet er lelijk uit. Het bot van de middelvinger lijkt aangetast, pezen liggen bloot. Een mensenbeet wil nog weleens gemeen infecteren. Naast het bed zit een vrouw van ongeveer dezelfde leeftijd als mijn patiënt. Grijzend haar. Ze zit er sip bij.

‘Bent u dat van die beet?’, vraag ik met ontzag.  Hevig verontwaardigd ontkent ze. Ze is zijn zuster…