_

Bergherder (juli 2014)

‘Alles langzaam doen,’ was me bij ontslag uit het ziekenhuis op mijn van schrik nog nauwelijks bekomen hart gedrukt. ‘De eerste maanden betekent lopen niet meer dan slenteren.’
Dus slenter ik. In storm, wind en regen.
Niet dat er in het villapark waar mijn broer en schoonzus Mantelzorger wonen veel is om naartoe te slenteren, maar bij gedwongen stilzitten ben ik helemaal niet meer te genieten.

Juist omdat er zo weinig te beleven valt, kom ik tussen de riante woonhuizen en manshoge heggen alleen mensen tegen die hun hond aan het uitlaten zijn. Nadat er speurend is rondgekeken en is vastgesteld dat ik niets bij me heb om ook uit te laten, valt me menige wantrouwende blik ten deel. Een man alleen, wat moet dat? Waarom scharrelt die hier rond? In dit weer?
Twee dagen later staat er een hondenriem op mijn boodschappenlijstje voor de stad.

Helemaal serieus wordt mijn verzoek niet genomen, want in de namiddag ligt er een sterk afgeprijsd exemplaar uit de Action op tafel, een ding groot genoeg om een hellehond mee in bedwang te houden.
Toch voel ik me tijdens mijn geslenter, riem losjes in de hand, meteen een stuk minder bekeken. Dat wil zeggen, tot de dag waarop ik ontdek dat alle hondenbaasjes vroeg of laat tegen elkaar gaan praten.
‘Waar is die van u?’ vraagt een dame met een sportief kapsel en iets wits en krullerigs aan een lijntje. ‘Hij is toch niet zoek?’
‘Nee hoor,’ antwoord ik en maak een vaag gebaar naar een open terrein met struikgewas. ‘Hij scharrelt daar ergens rond. Ruikt natuurlijk konijnen.’
De blik gaat richting het veld. ‘Wat is het er voor een?’
‘Een Andalusische bergherder.’
‘O’. Nieuwsgierig gaan de ogen opnieuw over het stuk grond en dwalen vervolgens naar de vervaarlijke riem tussen mijn vingers. Om mijn woorden een beetje geloofwaardig te maken zet ik beide handen aan mijn mond en roep: ‘Wolf…! Hier!’
Geen Wolf.
‘Ik heb hem uit een opvang voor Spaanse zwerfhonden’ leg ik uit. ‘Vandaar dat hij nog niet zo goed luistert.’
Een begrijpend knikje.
‘Hierrrr…’ brul ik nog eens naar het braakliggend land, trek dan verontschuldigend een schouder op en begin weg te wandelen. ‘Hij komt zo wel achter me aan. Doet-ie altijd. U een prettige dag verder.’

Sinds een paar dagen zie ik de achterdocht echter weer groeien. Daarom laat ik morgen vanuit de stad een maar eens hondenfluitje meebrengen. En hondenkoekjes.
Twiiiiiiiiieeet…
Ah, daar ben je, rakker. Koest… Koest!
Zit!
Braaf.