_

Ebola (augustus 2014)

Het is maar zelden leuk om gelijk te krijgen, zeker als het Ebola betreft. In de aanloop naar het boek ‘Overlander’ waarin een Ebola-epidemie een prominente rol speelt, schreef ik enige tijd geleden het volgende:

In de nacht vanuit het noorden aanvliegend op Kenyatta Airport is er, vlak voor het vliegtuig naar links zwenkt om de landing in te zetten, op de grond een merkwaardig fenomeen te zien. In een buitenwijk van Nairobi, temidden van spaarzame oranje straatverlichting staat een veertigtal lantaarns met helder witte lampen. Het is niet goed zichtbaar wat de lantaarns verlichten, maar het moet een smalle gekromde weg zijn met aan het eind drie kleine rotondes. Wat het verschijnsel zo opmerkelijk maakt is de figuur die wordt gevormd door de lantaarns. Als een reusachtig vignet staat het geponst in het donkere Afrikaanse continent.
Voor wie het beeld eenmaal gezien heeft is er niet veel nodig er een exacte replica van een filovirus in te herkennen, de meest kwaadaardige, snelst dodende groep virussen ter wereld. Het Marburgvirus maakt er deel van uit, en het Ebolavirus. Met name de laatste veroorzaakte bij de allereerste uitbraak nabij de Ebola rivier in Congo wereldwijde opschudding door de snelheid waarmee het om zich heen greep en het geweld waarmee het patiënten, artsen en verpleegkundigen ziek maakte en doodde. Dezelfde vraatzucht, die explosieve drang tot vermenigvuldiging en daarmee de verwoesting van de gastheer bleek tegelijkertijd de zwakte van het virus. Epidemieën bleven beperkt tot slechts een klein gebied. Besmette slachtoffers waren vaak zo ziek dat ze niet ver konden reizen.
Niet handig van dat virus.
HIV is veel slimmer. Dat houdt zich gedeisd. Het kan wel tien jaar onopgemerkt in mensen meeliften en zich stilletjes verspreiden.
Waarschijnlijk, zo suggereren virologen, is het Ebolavirus nog te jong, weet het nog niet hoe het zichzelf moet intomen. Moet het nog leren de mens als broedstoof te zien, een vehikel dat niet meteen kapot hoeft, maar kan dienen voor een veel expansiever vermeerdering van de stam. Er staat ons dus nog wat te wachten…

In de proloog van het boek is dit fragment sterk ingekort. Niet dat het in zijn oorspronkelijke lengte iets had kunnen bijdragen met betrekking tot de huidige situatie in West Afrika, maar wel is duidelijk dat er iets gebeurd is waardoor het virus de kans heeft gekregen het regenwoud uit te komen. Heeft het inderdaad bijgeleerd? Is het slimmer geworden? Minder onbesuisd dan voorheen? Heeft het de incubatietijd verlengd, zodat virusdragers zich verder kunnen verplaatsen?
Of speelt er iets heel anders?
Móést het virus simpelweg wel tevoorschijn komen, omdat wij met onze houtkap zijn leefgebied aan het vernietigen zijn? Heeft het ons de oorlog verklaard? Slaat het oerwoud terug? Zoals het eerder deed met het gele koortsvirus en met HIV?

Als dat laatste zo is, wanneer gaan wij dan iets leren? Want wie weet wat er nog meer schuilt op plekken die we tot nu toe ongemoeid hebben gelaten omdat er niets te halen viel. Ik kan alleen maar hopen dat die ondoordringbare plaatsen nog even blijven bestaan. In ieder geval tot we de wijsheid hebben gekregen de aarde te beheren in plaats van haar volledig uit te wonen.