_

Stom stom stom (nov 2014)

Twee keer in mijn leven heb ik me voor mijn kop geslagen dat ik geen camera bij me had. De eerste keer was in Tanzania op 19 april 1994. Ik weet die datum nog zo goed, omdat wat er gebeurde staat opgetekend in een van mijn dagboeken. Het was een maanloze avond, tegen het einde van de regentijd. Ik wandelde kort na elven van de verloskamer waar ik naartoe was geroepen, terug naar mijn huis. Kikkers bliepten hun bellenblaastonen. Een krekel knierpte een serenade aan een wijfje dat hij nog nooit had gezien. Heel in de verte weerlichtte onweer.
Plotseling stopte de krekel en hielden de kikkers hun adem in. Het schouwspel was van een betoverende pracht. Boven de boomtoppen, volkomen geluidloos, was een formatie vurige lichten verschenen. Minstens twintig waren het er, ellipsvormige glimpunten die lange, rechte sporen trokken door de nachtelijke hemel, vurige strepen met de glans van gloeiend koper. Zonder een fractie van hun koers af te wijken en nog altijd met de stilte van één ijle, niet waar te nemen orgeltoon bewogen de stralende voorwerpen gestaag in zuidelijke richting tot ze door de bomen achter mijn huis aan het zicht werden onttrokken.
Lange tijd bleef ik staan kijken in de richting waarin ze waren verdwenen, hopend op hun terugkeer. Pas toen de krekel weer te begon te snerpen, aarzelend eerst, alsof wat er zojuist was overgekomen op hem een even diepe indruk had gemaakt als op mij, wist ik dat ik niet langer hoefde te blijven wachten.

Tweede keer dan. Zaterdag 29 november, de Nieuwe Binnenweg in Rotterdam. Hij moet beslist de echte zijn geweest. Onbekommerd stapte zijn schimmel over het trottoir. Voor iedereen die hij passeerde had de sint een vriendelijk woord. In zijn ogen school een heimelijke lach.  Pieten waren er ook. Behoorlijk veel zelfs. Voorop liep echte Negerpiet die voor de alle zekerheid toch nog wat zwartsel had opgesmeerd. Met zijn trombone zette een jolig deuntje in. Trommelpieten en Blaaspieten vielen bij. Vrouwenpieten met lieve, ronde wangen en rode lippen deelden pepernoten uit. Een Karpiet trok een wagentje op luchtbanden, vier dollende Turkse jongetjes in de bak. Op de rijweg scheurde een Mopiet voorbij. Treuzelpiet drentelde achteraan, zak losjes over zijn schouder. Hij kwam nog meer achterop toen een mediterrane moeder vroeg of haar kind met hem op de foto mocht. Breed grijnzend knielde hij neer.

Het hele tafereel was zo ongedwongen, zo vrolijk, zo helemaal alsof er nooit geruzie was geweest over Pieten dat zelfs een amateurchaggerijn als ik er blij van werd. Totdat ik me realiseerde dat ik ook dit verschijnsel niet vast had kunnen leggen, omdat ik nog een van die achterlijken ben die met zijn mobiel alleen maar kan bellen. Stom stom stom!